U bevindt zich hier: Bronovo / Patiënten en bezoekers / Patiëntenvoorlichting / Prolapsplastiek

Prolapsplastiek

Een prolapsplastiek
Informatiefolder voor vrouwen die worden geopereerd aan een verzakking in de bekkenbodem.

Een prolaps
Als uw bekkenbodem niet naar behoren functioneert kunnen verzakkingen ontstaan. Het naar beneden zakken van een orgaan in de bekkenbodem noemt men een prolaps. Prolapsen van verschillende organen in de bekkenbodem zijn mogelijk. U kunt dan last hebben van incontinentie, aanhoudende of terugkomende blaasontstekingen, een balgevoel of obstipatie-problemen. Prolapsen en bijkomende incontinentie van urine en/of ontlasting zijn veel  voorkomende aandoeningen bij vrouwen. Een operatie om een prolaps te verhelpen noemt men een prolapsplastiek. In deze folder krijgt u uitleg over de gang van zaken rondom deze operatie.

De bekkenbodem
De operatie
Op de polikliniek zal de gynaecoloog u uitleg geven over welke operatie zal worden uitgevoerd. Deze operaties kunnen zijn:
  •    Een voorwandplastiek: Door verslapping van de steunweefsels in uw bekkenbodem, kan de blaas zijn uitgezakt, waardoor er een knik ontstaat in de urinebuis. Het gewicht van de baarmoeder op de blaas en de knik in de urinebuis kunnen zorgen voor incontinentie en blaasontstekingen. Deze operatie lift de blaas weer terug naar de originele positie. De gynaecoloog voert de operatie uit via de vagina.
  •    Een achterwandplastiek: Ook het rectum kan zijn uitgezakt, waardoor er een bal in de vagina te zien en te voelen is. U kunt dan last hebben van lage rugpijn, moeite met ontlasten of juist verlies van ontlasting. De gynaecoloog voert de operatie uit via de vagina.
  •    Een baarmoederverwijdering: Het kan zijn dat de gynaecoloog in overleg met u besluit ook de baarmoeder te laten verwijderen in verband met de verzakking. De gynaecoloog kan deze operatie zowel via de vagina als via de buik uitvoeren. De gynaecoloog kan de bovenstaande operaties ook tegelijkertijd uitvoeren. Een veel voorkomende operatie is bijvoorbeeld een baarmoederverwijdering met voorwandplastiek.

De opname
Via Bureau Opname ontvangt u uitgebreide informatie over de gang van zaken rondom uw opname. U heeft ook een gesprek met de anesthesist. Deze geeft uitleg over de manier van pijnstilling en de eventuele narcose of ruggenprik.
Meestal duurt de opname vijf dagen. Afhankelijk van uw conditie en herstel kan dit korter of langer duren. De eerste opvang op de verpleegafdeling wordt verzorgd door de verpleegkundige en vindt de dag vóór de operatie plaats. De verpleegkundige zal u wegwijs maken op de afdeling. U krijgt een opname gesprek, de zaalarts of co-assistent komt langs voor een algeheel lichamelijk onderzoek en er wordt bloed geprikt door de laborant. Van de verpleegkundige krijgt u een klysma om de darmen schoon te maken en wordt het te opereren gedeelte onthaard. Tijdens uw verblijf in het ziekenhuis krijgt u prikjes in uw bovenbeen tegen trombose. Hiermee wordt de dag voor de operatie begonnen.

De dag van de operatie
Op de dag van de operatie krijgt u een operatiejasje aan en krijgt u pijnstillende en ontspannende medicatie. De verpleegkundige van de afdeling brengt u naar een ruimte vóór de operatiekamers waar u wordt voorbereid; de holding. Na de operatie komt u op de verkoeverkamer. U heeft dan een infuus in uw arm en een katheter in uw blaas. Soms heeft u ook een gynaecologisch tampon in. Deze kan een wat onaangenaam gevoel geven, maar wordt vaak de volgende dag al verwijderd. Als u weer iets bent bijgekomen van de operatie wordt u weer opgehaald door de verpleegkundigen van de afdeling. Terug op de afdeling komt de verpleegkundige u regelmatig controleren.
Door de narcose kunt u misselijk zijn. De operatie kan de darmen van streek maken. U begint met slokjes water te drinken. Voorzichtig mag u meer nuttigen, totdat u weer normaal kunt eten.
De eerste dagen na de operatie kunnen pijnlijk zijn. U krijgt hiervoor pijnstilling.

Herstelperiode thuis
De eerste zes weken na de operatie kunt u nog bloedverlies hebben. Dit wordt geleidelijk  minder en zal uiteindelijk verdwijnen en overgaan in gelige of bruinige afscheiding. Als het bloedverlies aanhoudt, neemt u dan contact op met de polikliniek.
De hechtingen in de vaginawand lossen vanzelf op.
Zes weken na de operatie heeft u een controle afspraak bij de gynaecoloog op de polikliniek. De gynaecoloog kijkt of u goed genezen bent. Als dit het geval is kunt u uw bezigheden weer uitbreiden. Het is belangrijk dat u in de weken na de operatie goed naar uw lichaam luistert en niet te snel te veel wilt doen. Aangeraden wordt met de gynaecoloog en uw bedrijfsarts te overleggen wanneer u weer kunt gaan werken en een periode van rust neemt. Zwaar tillen en intensief huishoudelijk werk is onverstandig. Bekijkt u ook de leefregels voor meer adviezen.
Als u alleen woont, of als u om andere redenen niet kan voorkomen dat u moet gaan tillen of zwaar huishoudelijk werk moet verrichten, geef dit aan het begin van uw opname dan door aan de verpleegkundige. Deze kan dan via de afdeling Medisch Maatschappelijk Werk inschakelen voor een indicatie voor thuiszorg in de herstelperiode.

Leefregels
Tot aan de nacontrole op de polikliniek (6 weken na ontslag) moet u rekening houden met de volgende zaken:

  • Niet zwaar tillen
    De eerste twee weken is het belangrijk om niet zwaar te tillen: bij voorkeur geen kinderen tillen, geen zware boodschappentassen dragen en geen ander zwaar werk doen. Bespreek voor de operatie met de arts of het verstandig is extra hulp voor deze periode te regelen. Daarna kunt u uw gewone werkzaamheden gaandeweg hervatten.
  • En verder…
    Direct na de operatie kunt u weer onder de douche. Wacht met het nemen van een bad tot de bloederige afscheiding uit de vagina gestopt is. Gebruik geen tampons de eerste twee weken na de operatie, en wacht vier weken met seksuele gemeenschap.  

    Als u thuis kort na de operatie klachten hebt, is het raadzaam contact op te nemen met het ziekenhuis. Dit moet u zeker doen als u pijn blijft houden die niet minder wordt, als u veel bloed verliest of als u koorts hebt.

Complicaties en bijwerkingen
Naast bekende complicaties bij elke operatie (nabloeding en ontsteking) kunnen ook bij deze operaties complicaties optreden. De eerste zes weken is het wel belangrijk om rustig aan te doen en mag u geen zware inspanningen verrichten. Eventuele bijwerkingen kunnen zijn:

Blaasontsteking
Een blaasontsteking is een veel voorkomend probleem na een bekkenbodemoperatie. Daarom wordt de urine vaak in het ziekenhuis gecontroleerd. Zo nodig krijgt u een antibioticum. Een blaasontsteking is daarmee goed te behandelen.

Problemen met het op gang komen van zelf plassen
Door verandering van de plaats van de urinebuis of door vernauwing is het soms moeilijk na de operatie de blaas te legen. Dit komt zowel voor na operaties voor urine-incontinentie als na operaties voor een verzakking. In dat geval krijgt u voor een wat langere tijd opnieuw een katheter. In een enkel geval gaat u met een katheter naar huis. Vrijwel altijd is dit een tijdelijk probleem. In uitzonderingssituaties is het nodig dat u leert zichzelf te katheteriseren.  

Neem bij onverwachte gebeurtenissen zoals koorts, veel pijn, veel bloedverlies of niet goed kunnen uitplassen contact op met de behandelend arts. Buiten kantooruren kunt u contact opnemen met de Spoedeisende Hulp via telefoonnummer 070 - 312 44 45. 

Tot slot
Mocht u na het lezen nog vragen hebben, dan kunt u deze altijd stellen op de polikliniek en op de verpleegafdeling.  

Telefoonnummer Amalia verpleegafdeling: 070 - 312 42 96
Telefoonnummer Emma verpleegafdeling: 070 - 312 42 78
Telefoonnummer polikliniek Gynaecologie: 070 - 312 46 90  

Aanvullende informatie kunt u vinden op: www.nvog.nl